Nu in de regio: Boerenzwaluw

Bij de bespreking van Nu in de regio van de Huiszwaluw hebben we gezien dat zwaluwen binnen de zangvogelorde een aparte familie vormen. Het zijn vaak trekvogels waarvan drie soorten in ons land broeden. Naast de genoemde Boerenzwaluw zijn dat de al eerdergenoemde Huiszwaluw met zijn witte stuit en geheel zwarte kop en de Oeverzwaluw met muisbruine (donker-beige) bovendelen. Daarnaast broeden in West-Europa ook nog de Rotszwaluw en de Roodstuitzwaluw in rotsachtige gebieden. De zwaluwfamilie Hirundinidae omvat in totaal 93 soorten zwaluwen. Zwaluwen vertrekken in het najaar naar het zuiden en keren pas in het voorjaar terug. Voorafgaand aan de lange reis verzamelen ze zich in rietlanden, van waaruit ze heel stilletjes voor zonsopgang vertrekken. Daarom dacht Aristoteles dat zwaluwen de winter onder water doorbrachten, of dan ingegraven zaten in het bodemslik, tot de lente zon ze weer wekte. Pas in 1780 haalde Buffon die theorie onderuit en verving deze door de veronderstelling dat deze zangvogels wegtrekken naar warme landen. Zwaluwen bouwen hun nesten doorgaans van modder en stro, maar de vorm loopt uiteen: een open kom, een kwart bol of nog anders. De nesten zijn stevig en worden soms wel tien jaar achtereen gebruikt. Net terug uit Afrika, wedijveren zwaluwen zelfs om een oud nest te heroveren, dat alleen een opknapbeurt behoeft. Zwaluwen eten uitsluitend insecten. Die happen ze doorgaans laagvliegend, boven open terrein uit de lucht op en daarbij halen ze dikwijls acrobatische vliegtoeren uit. Is er regen op komst, dan vliegen de insecten dichter bij de grond; ook de zwaluwen komen dan omlaag en voeren spectaculaire scheervluchten vlak boven het gras of het water uit.

verspreidingskaartje Boerenzwaluw
verspreidingskaartje Boerenzwaluw
Eerste Boertje van 2026 op 17 maart bij de Hofmans Plassen ©Toy Janssen
Eerste Boertje van 2026 op 17 maart bij de Hofmans Plassen ©Toy Janssen
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren

Boerenzwaluwen vind je zowel in de Oude als de Nieuwe wereld. Ze broeden in Noord-Amerika, Europa, Azië en Noord-Afrika, maar overwinteren in Zuid-Amerika, Afrika bezuiden de Sahara en Zuid-Azië. Ze maken elk jaar lange reizen, waarbij ze veel energie verbruiken. Ze moeten dus flink wat calorieën tot zich nemen, in de vorm van voedsel. Daarom zijn deze vogels erg gevoelig voor sterke schommelingen in de populaties van de vliegende insecten waarvan ze leven. De Boerenzwaluw is een vogel waarmee wij erg vertrouwd zijn, omdat hij dicht bij de mensen leeft. Hij nestelt graag in gebouwen met makkelijke toegankelijke openingen, zoals boerderijen, schuren en oude huizen met een gebint van balken waartegen hij zijn nest kan bouwen, beschut tegen weer en wind. De Boerenzwaluwen verblijven van maart tot oktober in ons land om te broeden. Draalt de lente aan te breken of wordt ze door een koudegolf onderbroken, dan nemen de zwaluwen ook meer tijd voor de terugreis naar hun broedgebieden. In de herfst verzamelen ze zich in grote troepen, die je dan vaak op kabels langs wegen ziet zitten. Daar bereiden ze zich voor op hun lange trektocht naar het zuiden van Afrika. Onze vertrouwde Boerenzwaluw is een heel herkenbare vogel, met zijn lang uitgetrokken vleugels en staart, waaraan hij het vermogen dankt om snel te vliegen en daarbij met grote precisie korte bochten kan draaien. Aan die lange vleugels en de lang uitgetrokken zijdelingse staartpennen dankt hij ook zijn slanke gestalte. Het steenrode gelaat steekt opvallend af tegen het blauwzwart van de boven- en het wit van de onderdelen. De vrouwtjes verschillen uiterlijk alleen van mannetjes door hun kortere staartpennen. De jongen hebben veel kortere staarten en minder sprekende kleuren in de kopstreek. Wanneer de boerenzwaluwen in maart en april uit hun winterkwartieren terug keren, beginnen ze hier hun nesten te bouwen, dikwijls tegen balken in stallen en boerderijen of onder afdaken en bruggen. Het mannetje gaat daarvoor op zoek naar leem, vaak uit regenplasjes en brengt deze naar het vrouwtje, die ze gebruikt om er stengeltjes en twijgjes mee te verkleven tot een stevig bouwsel. Het nest krijgt de vorm van een halve kom. Het vrouwtje legt daarin vier of vijf eieren die ze zelf uitbroedt in ongeveer twee weken. Zijn de jongen uit het ei, dan gaan beide ouders beurtelings aan de slag om hun kroost te voeden. De jongen blijven lang afhankelijk van hun ouders, zelfs nog verscheidene dagen nadat hun verenkleed volledig ontwikkeld is en ze het nest al hebben verlaten.

Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren
Boerenzwaluw ©Martien van Dooren

Dick Slaa