Nu in de regio: Tjiftjaf
Loofzangers zijn kleine, 10 tot 13 cm lange zangvogels met een puntige snavel en een onopvallend, grijsgroen tot bruinachtig verenkleed. Mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort zien er hetzelfde uit. Ook de soortgenoten zijn moeilijk op uiterlijke kenmerken te onderscheiden. Zekere determinatie is alleen goed mogelijk op basis van de zang. Er bestaan ongeveer 60 soorten loofzangers, maar daarvan zijn er maar 14 ooit in West-Europa waargenomen. De Tjiftjaf, de Fitis, de Fluiter en de Bergfluiter zijn er algemene broedvogels. De resterende soorten hebben hun broedplaatsen in Noord-Europa of Azië en komen in West-Europa uitsluitend als dwaalgast of schaarse doortrekker voor. De Bergfluiter broedt wat verder naar het zuiden. Het Europese broedareaal reikt van Portugal oostwaarts tot Griekenland en noordwaarts tot Zuidoost België en Noordoost Frankrijk, de Zuid-Duitse middelgebergten en Oostenrijk, maar de vogels overwinteren in tropisch Afrika. Loofzangers verplaatsen zich in een snelle moeiteloze vlucht van tak tot tak en wippen in de zit gedurig met hun vleugels en staart. Meestal zijn ze alleen of in groepjes van twee of drie vogels onderweg. Ze zijn niet schuw, maar sommige soorten zijn moeilijk waarneembaar omdat ze in de boomtoppen of in dicht gebladerte leven. Loofzangers eten in hoofdzaak insecten, maar nemen ’s-winters ook wel genoegen met spinnen en bessen. Ze vangen hun prooien zowel op de grond of laag in struikgewas als in bomen op het loof of in schorsspleten.
De Tjiftjaf is in ons land een algemeen zangvogeltje, dat al vroeg in het voorjaar terugkeert uit zijn winterverblijven. Hij maakt zijn aanwezigheid opvallend kenbaar door zijn gedurig herhaalde, tweetonige zang, die hem zijn naam bezorgde: tjif tjaf tjif tjaf. Tjiftjaffen broeden in vrijwel heel Europa. In de herfst trekken ze naar het Middellandse-Zeegebied, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië. Ze zijn elk voorjaar zowat de eerste trekvogels, die vanaf midden maart in ons land terugkeren. Tjiftjaffen zijn echte lentebodes. Ze zitten dan vaak in tuinen, in de nog kale bomen, zodat je ze goed kan bekijken. Ze zijn ook niet erg schuw. Ook in augustus en september vlak voor hun vertrek naar de winterkwartieren maken deze kleine zangers dikwijls halt in tuinen. Een toenemend aantal blijft ’s-winters in Zuid-Frankrijk hangen en er zijn zelfs altijd wel een paar Tjiftjaffen die proberen in ons land te overwinteren. Tijdens de voorjaarstrek medio maart bereiken de eersten ons land; in de loop van april komt de hoofdmacht binnen. De herfsttrek begint eveneens tamelijk vroeg. Van de vogels die bij ons gebroed hebben, gaan de eerste al in augustus op weg; de meeste in september, maar tot ver in oktober passeren nog talrijke Scandinavische en Noord-Duitse exemplaren ons land. Zoals veel kleine zangvogels zijn Tjiftjaffen erg gevoelig voor vrieskou en sneeuw. Zo licht als ze zijn, hebben ze weinig reserves om op terug te vallen. De Tjiftjaf is een klein zangvogeltje met dunne, donkergrijze pootjes, een fijn, zwart snaveltje en een korte, recht afgesneden staart. Door zijn schutkleuren valt hij niet op in een begroeide omgeving, zijn bovendelen zijn vaal olijfbruin, de onderdelen rossig vuilwit met een gelige waas erover. Boven langs het oog loopt een vage, lichte wenkbrauwstreep. In het voorjaar, na hun terugkeer uit het zuiden, strijken ze neer in een rustige, bosachtige omgeving, bij voorkeur in weelderige randen van loofbossen, maar ook wel in gemengde bossen, parken of boomrijke tuinen. De mannetjes vestigen daar hun territoria; de vrouwtjes bouwen er een nest en broeden hun eieren daarin ook zelf uit. De nestjongen, meestal zes of zeven in getal worden daarna wel door beide ouders grootgebracht, wat meestal twee weken duurt. In Europa vind je (naast de westelijke, typische vorm) enkele regionale ondersoorten van de Tjiftjaf, zoals de lichtbruin-grijze Scandinavische Tjiftjaf en (in het oosten) de minder gelige Siberische Tjiftjaf.
Dick Slaa