Nu in de regio: Groene Specht

De spechten- en draaihalzenfamilie Picadae telt talrijke insectenetende klimvogels met een ver uitsteekbare tong. Ze leven bijna allemaal in bossen en de meeste soorten komen in de tropen voor. Bij het woord “specht” denken de meeste mensen aan een vogel die ijverig holen hakt in bomen. Dat beeld is maar ten dele juist, want alleen leden van de onderfamilie Picinae, de “eigenlijke spechten”, die volgens de laatste inzichten 186 soorten telt, kunnen in hout hakken. In de Picinae zijn alle kenmerken van echte klimvogels verenigd; poten waarvan twee tenen naar voren en twee tenen naar achteren zijn gericht, zodat ze op boomstammen kunnen klimmen en een stijve staart die bij het klimmen als steun kan dienen. Met hun beitelvormige snavel kunnen ze in zachthout een nestholte uithakken en ook gaten maken om insectenlarven te zoeken. Die trekken ze dan met hun lange, kleverige van weerhaakjes voorziene tong uit hun gangetjes. Spechten communiceren zowel door roepgeluiden als door geroffel. De dwergspechten en draaihalzen uit beide andere onderfamilies Picumninae en Jynginae “plukken” hun prooien van het stamoppervlak af. Draaihalzen (2 soorten) zijn vrij kleine vogels (16-19 cm) met een camouflerende boomschorstekening die hen bijna onzichtbaar maakt op boomstammen. Ze steunen bij het klimmen niet op hun staart, zoals de eigenlijke spechten, maar ze klimmen scheef tegen stammen op en zoeken hun voedsel (mieren) ook vaak op de grond. De onderfamilie van de dwergspechten (31 soorten) komt in de tropen voor. Maar vier soorten leven in de Oude Wereld (Afrika en Azië). Dwergspechten zijn meestal kleine vogels (9-17 cm). Om met soortgenoten te communiceren om bijvoorbeeld een partner te lokken, roffelen dwergspechten op de takken.

Verspreidingskaartje van de Groene Specht
Verspreidingskaartje van de Groene Specht
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren

De Groene Specht is een schuwe standvogel en daardoor meestal eenvoudiger te beluisteren dan te bekijken. In de lente laat het mannetje een luide lachende “zang” horen: een in toon dalend “kluu kluu kluu kluu klu klu klu”. Het vrouwtje roept zachter “puu puu puu”. Af en toe hoor je en schelle, brutale vluchtroep “kieu kieu kieuk”, die ook gebruikt wordt om indringers te intimideren. De Groene Specht is in de meeste Europese landen nog vrij algemeen. Om te kunnen broeden heeft de Groene Specht bomen met een verrot hart nodig. Binnen zijn habitat moet dus een oud bos met stervende bomen staan. Daarnaast moet er ook grasland in de buurt zijn. Groene Spechten vind je in loofbossen, gemengde bossen, struwelen en boomgaarden; af en toe zelfs in parken en tuinen. De Groene Specht is te herkennen aan zijn groen en gele verenkleed, zijn zwarte masker en rode kruin. Het mannetje is te herkennen aan een rode, zwart omrande baardstreep. Vrouwtjes verschillen van mannetjes door de zwarte “snor” of baardstreep (zonder rood in het midden). Jonge vogels hebben veel donkere streepjes op aangezicht, keel, borst en buik. In Midden- en Oost-Europa broedt ook de iets kleinere Grijskopspecht, ook met groene boven-, maar grijze onderdelen, een klein onduidelijk masker en alleen wat rood op het voorhoofd. In West-Europa komen verder de Kleine-, Middelste- en Grote Bonte specht voor. De grote Zwarte Specht heeft de kleur en het formaat van een Roek. De meeste spechten zoeken hun voedsel op de stammen van bomen, maar de Groene Specht foerageert vooral op de grond. Dat komt omdat mieren zijn hoofdvoedsel vormen. Weliswaar lust hij ook slakken, wormen, zaden en vruchten, maar zijn dieet is voor bijna 90% uit mieren samengesteld. Je ziet de Groene Specht dan ook regelmatig in graslanden rondhuppen op zoek naar mierenhopen. Heeft hij een mierenhoop gevonden, dan steekt hij zijn snavel diep naar binnen en tast hij daar rond met zijn lange, kleverige tong om mieren en hun larven te verzamelen. Vanaf maart, maar in Zuid-Europa al een paar weken eerder, baltsen de mannetjes. Ze vliegen spiraalsgewijs tussen de takken van bomen en leveren knokpartijen om de gunst van een vrouwtje te verwerven. Wanneer het broedpaar nog geen nestholte heeft, dan zoeken de dieren het bos af naar een grote boom met een verrot hart. Er wordt een hol in het zachte hout uitgehakt, vaak op een hoogte tussen twee en tien meter. Dat hol wordt 20 tot 50 cm diep, maar de ingangsopening wordt niet wijder dan 7 cm gemaakt. Het vrouwtje legt vijf tot zeven witten eieren op een bedje van houtspaanders. De vogels broeden die gezamenlijk in ongeveer twee weken uit. Bij het uitkomen zijn de jongen naakt en blind. Ze worden door hun ouders in hoofdzaak met mieren gevoed. Na zes weken verlaten ze het nest voorgoed.

Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren
Groene Specht ©Martien van Dooren

Dick Slaa