Nu in de regio: Smelleken
De orde Falconiformes omvat tegenwoordig alleen nog maar de familie Falcinidae. Deze familie telt ruim 60 soorten, die merendeels valken worden genoemd, maar ook de tropische caracara’s horen hier thuis. Genetisch gezien blijken valken namelijk nauwer verwant te zijn aan papegaaien en zangvogels dan arenden, gieren en sperwers, die onder de orde van Accipitridae vallen. De leden van deze familie Falcinidae zijn middelgrote of soms zelfs kleine vogels met smalle, puntige vleugels en meestal een lange staart. Valken vliegen snel en rechtlijnig: sommige soorten kunnen stilhangen in de lucht (“bidden”), zoals de bekende Torenvalk. Valken zijn krachtige jagers en voeden zich met andere vogels en kleine zoogdieren. Veel valkensoorten hebben geleden onder pesticiden zoals DDT, maar dankzij bescherming en herstelprogramma’s zijn populaties de laatste jaren gestabiliseerd of toegenomen, vooral bij de slechtvalken. De Boomvalk en Torenvalk blijven kwetsbaar door afname van prooidieren en nestplaatsen. Valken zijn vaak solitair en territoriaal. De broedplaatsen variëren van natuurlijke nesten in bomen tot stedelijke structuren zoals torens en gebouwen. Ook kunstnesten in hoogspanningsmasten worden m.n. door boomvalken en slechtvalken gebruikt.
Het Smelleken is de kleinste Europese valk: het mannetje wordt nauwelijks groter dan een Merel. Smellekens jagen op zangvogels (met name piepers, leeuweriken, vinken en gorzen), maar ook op kleine steltlopers. Soms slaat hij vogels die groter zijn dan hijzelf zoals kieviten en tortels. Het Smelleken broedt in het koele noorden van Eurazië en Noord-Amerika. De Noord-Europese broedvogels overwinteren deels in West-Europa, ook in Nederland, maar vele trekken in de herfst door naar zuidelijker streken. In de 20ste eeuw ging de soort sterk achteruit door DDT-gif, maar de aantallen nemen nu weer toe. Dit valkje broedt in arctische of subarctische streken in Europa vooral in IJsland, Scandinavië, Finland, Noord-Rusland en op de Britse eilanden. Hij nestelt vaak in heidevelden en duingebieden, op de toendra en op open plekken in de taiga. Ook ’s-winters is hij vooral in open vlaktes te vinden, waaronder akkergebieden en wilde baaien aan zee. De trek begint laat in augustus, maar komt in september en oktober pas goed op gang. De verplaatsingen hangen vaak indirect van de weersomstandigheden af. Sommige individuen blijven ’s-winters in Noord-Europa, bijvoorbeeld in het zuiden van Zweden en IJsland. Eind februari beginnen de eerste Smellekens aan de terugreis naar het noorden. De hoofdmacht passeert in april en mei ons land. De broedplaatsen worden in de regel voor het eind van mei bereikt. Smellekens trekken in april/mei en september/oktober in flinke aantallen door ons land. In september blijven ze vaak nog even in Noord-Nederland rondhangen. Naar schatting 500 tot 1000 exemplaren overwinteren in ons land, vooral in open landschappen met veel zangvogels. De mannetjes van deze kleine valkensoort zijn kleuriger dan de vrouwtjes. Ze hebben een grijsblauwe rug en mantel, zwarte slagpennen en okergele, naar oranje zwemende onderdelen met fijne, bruinzwarte streping. Op de blauwgrijze staart zijn enkele smalle, zwarte dwarsbandjes te zien en een zwarte eindband. De vrouwtjes en de jongen hebben bruine bovendelen en roomwitte, donkerbruin gevlekte onderdelen; de staart is hier bruinzwart met smalle, geelwitte dwarsbandjes. De kop is minder krachtig getekend dan bij andere valken en heeft een donkere, vrij vaag afgetekende baardstreep. In de vlucht onderscheiden Smellekens zich van andere valken door hun vrij korte, maar puntige vleugels en hun aangeheven kop. Ze zijn ook zichtbaar kleiner.
Dick Slaa