Nu in de regio: Smient
De term “eend” wordt gebruikt voor een groot deel van de soorten uit de familie Anatidae. De groep telt ongeveer 116 soorten zwemvogels. Eenden zijn watervogels met korte poten en zwemvliezen tussen de drie voortenen. De achterteen staat vrij, maar is klein en iets hoger aan de poot gezet. Eenden hebben puntige vleugels. Het verenkleed is goed waterdicht dankzij een dichte onderlaag van donsveertjes. In de snavelvorm is een grote variatie waarneembaar. Op basis van verschillen in lichaamsbouw en gedrag worden diverse typen eenden onderscheiden. Bij de zogenaamde zwemeenden zoals de Wilde Eend, Krakeend, Slobeend, Pijlstaart en ook de Smient zijn de poten ongeveer midden onder de romp geplaatst, waardoor de vogels op het land redelijk goed kunnen lopen. Zwemeenden zoeken hun voedsel in het algemeen in ondiepe stilstaande wateren. Daarbij “grondelen” ze met ondergedoken kop en voorlichaam, maar gaan ze niet helemaal onder water. Ze hebben lange vleugels en kunnen goed vliegen. Duikeenden zoals de Tafeleend, de Brilduiker en de Krooneend gaan helemaal onder water om voedsel te zoeken. Hun lichaam is zwaar en goed gestroomlijnd. Hun zwempoten zorgen voor de voortstuwing en zijn om die reden achter aan de romp geplaatst. Daardoor bewegen duikeenden zich op het land nogal onbeholpen voort. Om de weerstand onder water te beperken, hebben ze kleine vleugels. Ze vliegen dan ook minder goed dan zwemeenden. Vissende eenden zoals de Grote- en de Middelste Zaagbek en het Nonnetje wijken sterk af van de rest. Ze hebben geen brede, platte snavel met zeeflamellen, maar een lange smalle snavel met een iets haakvormige punt en zaagtandjes langs de randen. Daarmee hebben deze vogels, die 3 tot 4 m diep kunnen duiken, goede grip op glibberige prooien zoals vissen. Ze hebben grote zwempoten en vaak een achterhoofskuif.
van de Smient
De Smient is in Nederland een algemene wintergast, vooral in het Wadden- en Deltagebied, maar ook in natte veenweidegebieden en op de grote rivieren. De eerste Smienten komen rond september in ons land aan en gedurende het hele najaar blijven nieuwe contingenten binnenkomen. Veel Smienten trekken door naar het zuiden, maar andere blijven. Daardoor is de Smient in Nederland een van de talrijkste eenden soorten in de winter. De wintergasten komen meestal uit Noord-Europa of West Siberië. Ze zijn tamelijk trouw aan hun winterverblijven. Vanaf maart trekken de dieren naar de broedgebieden weg. Kleine aantallen overzomeren bij ons, maar broedgevallen zijn schaars. De Russische broedpopulatie telt minstens 198.000 broedparen. In de rest van Europa broeden de grootste aantallen in Finland, Zweden, Noorwegen en IJsland. In de winter verblijven de meeste individuen in Nederland, België, Groot-Brittannië, Ierland, Griekenland, Italië en Zuid-Spanje. De aantallen en dichtheden hangen steeds sterk af van de beschikbare hoeveelheden voedsel. Wanneer de kwaliteit van de graslanden toeneemt, groeit het aantal overwinteraars. De Smient is door zijn bolle voorhoofd en zijn korte snavel gemakkelijk van andere eenden te onderscheiden. In de winter heeft het mannetje een sierlijk verenkleed met een bruinrode kop met een geel voorhoofd, een grijsblauwe snavel met zwarte punt, een roze borst en een zilvergrijze rug. In de vlucht zijn de witte vleugelstrepen goed zichtbaar, Het wat saaier gekleurde vrouwtje heeft een roestkleurig verenkleed met witte randjes aan de vleugelveren. Smienten behoren dus tot de zwem- of grondeleenden, maar grazen liever op drooggevallen slikken en kwelders. De broedparen vormen zich al vroeg in het jaar, meestal wanneer de vogels nog in hun winterkleed vertoeven. Tijdens de trek en bij aankomst in de broedgebieden zijn de paren dus al gevormd. Omdat de baltsceremonie al voor de lente plaatsvindt, zijn de mannetjes ’s-winters in hun pracht- of broedkleed mooier op kleur dan ’s-zomers in hun eclipskleed. Het nest bestaat uit een simpel kuiltje, verborgen onder begroeiing en gestoffeerd met hooi en dons. Het vrouwtje legt hierin zes tot tien eieren, die ze in haar eentje uitbroedt. Na ongeveer 25 dagen komen de jongen in een donkergrijze donsjas uit het ei. Na vijf weken zijn ze vliegvlug, waarna ze hun moeder verlaten.
Dick Slaa